Net als mijn collega-redacteuren ben ik al een leven lang geobsedeerd door auto’s. Op mijn tweede herkende ik alle gangbare automerken aan het logo. Ik woonde in Amsterdam, waar het straatbeeld werd gedomineerd door Kevers, Simca’s, Fordjes en Citroëns. Als je héél veel geluk had, zag je een Porsche 911. Die wilde ik wel, met een afneembaar dak, want dat had de Peugeot 504 van mijn vader niet.
Nadat we naar een provinciestadje verhuisden zag ik zelden nog een Porsche. Gelukkig werd mijn autohonger gestild door de televisie, met wekelijks een portie oranje Dodge Charger en zwarte Pontiac Firebird. De witte Ferrari Testarossa die vanaf 1986 door het beeld scheurde leek wel van een andere planeet, zo’n auto moest en zou ik ooit bezitten.
Er is een héél kort moment geweest waarbij de prijzen zodanig laag waren en mijn spaarpot voldoende gevuld dat ik een exemplaar met achterstallig onderhoud kon aanschaffen. Gelukkig reed de komst van kinderen en een koophuis die droom in de vijfspaaks Monodado wielen. Uit armoede kocht ik toen maar een Alfa Romeo GTV6. Die ik natuurlijk verkocht vóór de prijzen stegen.
Voor en na die GTV kwamen er nog veel meer andere auto’s van zeer uiteenlopende merken, maar Volvo en Land Rover spelen een constante. De Volvo is een vervoermiddel, mijn klassieke Land Rover een object van een haast kinderlijke begeerte. En stiekem leuker dan een 911 of Testarossa.