Dit is zonder twijfel de meest krankzinnige en geniale Franse auto ooit
Dat de Fransen merkwaardige auto’s kunnen maken, weten we al sinds de Deux-Chevaux. Maar al voor de Eerste Wereldoorlog bleken Franse ontwerpers graag buiten de gebaande paden te denken. Maak kennis met de nieuwste aanwinst van het Louwman Museum, een Leyat Hélica uit 1921.
Het gaat hier om een voertuig dat lijkt op een vliegtuigje zonder vleugels. Hij wordt voorwaarts bewogen door de krachtige luchtstroom die gegenereerd wordt door een reusachtige propeller aan de voorkant. De bedenker van deze originele en alternatieve aandrijfbron voor automobielen was een Fransman.
De bouwer
Marcel Leyat werd geboren in 1885. Die tijd stond bol van de spectaculaire uitvindingen en industriële innovaties. De jonge Leyat ging studeren aan de prestigieuze École Central Paris, een hogeschool voor de nieuwe industriële elite, waar hij in 1907 afstudeerde als ingenieur. Hij trad in 1908 in dienst bij Société Astra des Constructions Aeronautioques. Dat was een groot concern dat zich toelegde op het maken en ontwikkelen van luchtschepen en de eerste vliegtuigjes, vaak twee- of driedekkers.
Elke maand op je deurmat: unieke autotests, diepgaande vergelijkingen en sfeervolle reportages
Nadat Marcel Leyat voor dit bedrijf succesvol een zweefvliegtuig had gemaakt, ging hij aan de slag om een vliegtuig te ontwerpen. Daarmee moest Het Kanaal naar Engeland worden overgestoken. Maar op 25 juli 1909 was een zekere Louis Blériot hem voor. Dat was een flinke teleurstelling, maar lang bleef Leyat niet treuren. In 1910 ontwierp hij zijn eerste gemotoriseerde tweedekker. Tijdens dat proces kwam hij wellicht al op het idee dat hij drie jaar later daadwerkelijk uitwerkte. Als een propeller een vliegtuig in beweging kan brengen, dan kan diezelfde aandrijving ook gebruikt worden voor voertuigen op de grond.
In 1913 richtte Leyat zijn eigen constructiebedrijf op om die nieuwe plannen en ideeën te kunnen realiseren. In datzelfde jaar bouwde hij een werkend concept van de Helico-cycle, een driewieler met propelleraandrijving.
Als de Eerste Wereldoorlog uitbreekt, toont Marcel Leyat zich een ware patriot en richt hij zijn aandacht onmiddellijk op het ontwikkelen van vliegtuigen voor de nog piepjonge Franse luchtmacht. Die zouden in dit wereldwijde conflict een steeds grotere rol van betekenis gaan spelen. In zijn vrije uurtjes bouwde hij in de oorlogsjaren echter een verbeterde versie van zijn Helico-cycle uit 1913. Ook nu bleef het bij slechts één prototype.
Waar komt de naam vandaan?
De naam Hélica is afgeleid van het Franse woord ‘helice’, dat propeller betekent. Denk maar aan het woord helikopter. Zodra de Eerste Wereldoorlog ten einde is, pakt Marcel Leyat de draad weer op. Hij gaat nu een klein stapje verder. In plaats van driewielers bouwt hij nu vierwielers met zijn revolutionaire concept. Dat maakt het nóg meer een heuse automobiel, maar de link met de luchtvaart blijft duidelijk zichtbaar.
De passagiers zitten namelijk, net als in vliegtuigen uit die tijd, achter elkaar in een soort open cockpit. Daarnaast is de slechts 250 kilo wegende body van triplex gemaakt. Voor een automobiel had de Hélica dus een ongekend laag gewicht, dat in combinatie met een verbrandingsmotor een enorm gunstige pk-/kg-ratio opleverde. Bovendien was de carrosserie ook nog eens uiterst aerodynamisch vormgegeven, zoals gebruikelijk bij vliegtuigen.
Voor de aandrijving van zijn Hélica’s gebruikte hij kant-en-klare motoren van verschillende fabrikanten. De driecilinders kwamen van MAN, de tweecilinder Scorpion-motoren van de All British Engine Company. Starten deed je door hard aan een oprolbare kabel te trekken, precies zoals je een buitenboordmotor aantrekt. Dertig paardenkrachten volstonden om van de Hélica een gevaarlijk snel voertuig te maken. De motor dreef enkel de propeller aan. Een versnellingsbak kon dus achterwege blijven, net als een aandrijfas naar de achteras.
Het voertuig werd bestuurd door een beweegbare achteras. De vooras was star. Remmen deed de bestuurder met aan de voorwielen bevestigde trommelremmen. Voor een noodstop kon je gebruikmaken van nog een tweede rempedaal, waarbij een stel extra remschoenen in actie kwamen. Dat klinkt alsof de Hélica de veiligheid hoog in het vaandel had staan, maar dat was bepaald niet het geval. De levensgevaarlijke vierbladige propeller was slechts door een beperkt aantal dunne spijltjes afgeschermd en als argeloze voetganger liep je de kans om in een ongenadig dodelijke gehaktmolen terecht te komen. Als diezelfde voetganger aan de veel veiliger lijkende achterkant stond, moest ie weer oppassen dat hij niet uit z’n onderbroek geblazen werd zodra de chauffeur vol gas gaf.
Op de eerste autobeurs waarop de Hélica te zien was, zouden maar liefst 600 belangstellenden zich inschrijven. In totaal heeft Leyat echter maar dertig Hélica’s gebouwd. Hoewel het idee achter de Hélica innovatief, origineel en ‘out of the box’ was, werd het commercieel geen succes. Men vond de bediening buitengewoon lastig, de topsnelheid van 90 km/h onverantwoord hoog en het vehikel op de openbare weg veel te gevaarlijk. Het in die tijd ongekend gunstige verbruik van slechts 1 op 16,5 kon daarin geen verandering brengen. In 1927, vlak nadat een Leyat op een circuit de duizelingwekkende snelheid van 171 km/uur had gehaald, was het helaas definitief afgelopen met dit bizarre automerk.
De Hélica in het Louwman Museum
De Leyat Hélica in het Louwman-museum is een van de drie overgebleven Leyats. Het is het enige gesloten type, werd gebouwd in 1921 en is voorzien van een tweecilinder ABC Scorpion motor. Ig de Bakker is vrijwilliger van het museum en weet veel van dit nieuwe en nagenoeg originele pronkstuk. “De Leyat die ons museum heeft weten te verwerven, is met zijn aandrijving sowieso al een zeldzame en unieke bezienswaardigheid. Maar dit exemplaar heeft daarnaast ook nog eens een bijzonder verhaal. Hij is namelijk nog volledig origineel en altijd in het bezit geweest van één en dezelfde Franse familie met een bekende naam: Peugeot. De textielfabrikant Henry Peugeot was geen directe familie van Armand en Eugène Peugeot, die het bekende merk ooit oprichtten, maar wel degelijk aan hen verwant."
Deze directeur bestelde een Hélica, maar de levering liep een aanzienlijke vertraging op. Dat was niet naar de zin van deze textiel-Peugeot en een opgejaagde Leyat besloot daarom zijn eigen auto, serienummer 04, maar naar het oosten van Frankrijk te sturen. Eenmaal gearriveerd vond de oude heer Peugeot het voertuig te complex om zelf te besturen. Omdat de passagier achter de chauffeur moest plaatsnemen, kon hij de kunst ook niet afkijken. Besloten werd dat zijn zoon Jean-Jacques de auto zou gaan gebruiken.
En zo geschiedde. De 21-jarige student gebruikte de auto vier jaar lang om ermee naar de universiteit te rijden, dagelijks zo’n 100 kilometer vice versa. En dat deed hij, als wij zijn overleverde dagboeken mogen geloven, met heel veel plezier. Minder enthousiast waren zijn eigen moeder en verloofde, die de Hélica maar een gevaarlijk apparaat vonden. Toen Jean-Jacques een paar jaar later trouwde, verdween de Hélica dus in een garage en koos het kersverse bruidspaar - al dan niet unaniem - voor een veiliger en conventioneler automobiel. De auto bleef in diezelfde garage bewaard tot 1944.
Wehrmacht rijdt schade
Na D-day en de geallieerde doorbraak in Normandië sloegen de Duitse bezetters paniekerig op de vlucht richting eigen Heimat. Dat ging te voet niet snel genoeg en dus stalen ze alles wat zich op wielen voortbewoog; fietsen, boerenkarren, motorfietsen en het liefst automobielen. Zo plunderden ze ook de garage van de familie Peugeot. De conventionele automobielen werden ogenblikkelijk gevorderd en ook de Hélica werd meegenomen. Die kwam echter niet ver. De bediening van de propeller-auto bleek voor de Duitse Wehrmacht-chauffeur te hoog gegrepen. Hij reed de Leyat pardoes tegen een appelboom, waardoor de propeller in stukken brak. De Hélica bleef onbruikbaar achter in de tuin van de Peugeootjes. Dat was een geluk bij een ongeluk, anders was dit exemplaar waarschijnlijk nooit bewaard gebleven.
"Na de oorlog zette Leyat er een nieuwe propeller op, deze keer een efficiëntere met slechts twee bladen", vertelt Ig de Bakker. "Rond 1970 verhuisde de auto van Oost-Frankrijk naar een opslag in Parijs. In de jaren negentig werd de Leyat rijdend gemaakt en eind 2024 besloot de achterkleinzoon van de oorspronkelijke eigenaar dat de auto een groter publiek verdiende dan de zeldzame bezoeker van de garage in de Franse hoofdstad. Het Louwman Museum is daar natuurlijk een aangewezen partij voor, ware het niet dat de Franse overheid deze Leyat Hélica beschouwde als Frans industrieel erfgoed. Die mocht het land niet uit. Het heeft een hoop brievenschrijverij, overredingskracht en moeite gekost om het zover te krijgen, maar uiteindelijk is het dan toch gelukt. En nu staat ie sinds kort bij ons in het museum."
Scroll naar beneden voor meer foto's
Elke maand op je deurmat: unieke autotests, diepgaande vergelijkingen en sfeervolle reportages