Waarom ik op mijn eerste autovakantie doodsangsten uitstond in Noord-Italië
Italië in zicht, het dakje naar beneden. Het grote genieten kan beginnen. Toch? Dat blijkt anders uit te pakken. Wat een relaxt ritje naar een prachtig land moest worden, wordt een veel te spannende tocht waarin ik meerdere malen doodsangsten uitsta.
Mijn allereerste autovakantie waarbij ik zelf achter het stuur plaatsneem, is er niet zomaar eentje. Ik heb even voor vertrek mijn spaarvarken geplunderd om mijn allereerste eigen auto te kopen: een Mercedes SLK uit 2006. De Fiat Punto en Ford Fiesta die ik hiervoor met mijn broer deelde brachten mij altijd braaf naar mijn bestemmingen, maar dit is logischerwijs wel van een ander kaliber. Ik wil per se een cabrio, nu ik nog in de periode van mijn leven zit waarin twee zitplaatsen voldoen. En de bestemming? Ook die staat al een tijdje vast. Het moet en zal Italië worden, het land van mooie natuur, lekker eten en drinken en bovenal prachtige routes. Dat die routes gevuld zijn met complete maniakken, daar zijn we ons voor vertrek nog niet bewust van …
Vakantie begint al in de auto
'De weg zelf is je bestemming', schreef de bekende Chinese filosoof Confucius ruim 2500 jaar geleden al. Hij zal het destijds ongetwijfeld niet over autovakanties hebben gehad, maar toch klopt die uitspraak wel. De vakantie begint daadwerkelijk bij het instappen, in tegenstelling tot een reis via de hel die ze Schiphol noemen. Al gaat mijn allereerste autotrip naar het buitenland niet over rozen, ik ben het nog steeds met Confucius eens.
We beginnen nog vol goede moed. Oké, we komen veel van de welbekende 'Baustellen' tegen, maar het is nog niets wat ik niet al gewend ben van het rijden in Nederland. Alles loopt op rolletjes, tot we de fraaie Brennerpas bereiken die ons echt Italië in dirigeert.
“'Zijn we er nou al bijna?', vraagt ze meerdere malen vertwijfeld.”
Hoe lang moeten we nog?
Op een bepaald punt wacht ik netjes tot ik veilig kan invoegen. De Italiaan achter me vindt het schijnbaar te lang duren, en hij snelt over het grind naast me om net voor een aankomende vrachtwagen te schieten. Niet alleen scheert hij maximaal 10 centimeter langs mijn nieuwe zilveren trots, ook waagt hij zijn eigen leven door zijn gebrek aan geduld. Levensgevaarlijk. Het zou de eerste 'close call' van nog vele zijn, al beseffen we dat dan nog niet. Hoe verder we Italië in rijden, hoe wanhopiger mijn vriendin me aankijkt. 'Zijn we er nou al bijna?', vraagt ze meerdere malen vertwijfeld.
Afsnijden, voorrang vooral pakken in plaats van krijgen, rechts inhalen, toeteren, wapperende handen, vingers bij de slaap en soms zelfs Italiaanse verwensingen (Cazzo en Vaffanculo zijn de meest voorkomende …) - in Italië is het allemaal aan de orde van de dag. Klinkt voor doorgewinterde automobilisten misschien niet spannend, maar voor een beginnende bestuurder die voor het eerst naar het buitenland rijdt is het dat zeker wel. Ik moet zo hard focussen om veilig en zonder deukjes op onze eindbestemming aan te komen, dat ik niet echt geniet van de rit. Zelfs niet met open dak, fluitende vogeltjes, een zomerse zon en idyllische uitzichten. Gelukkig gebeurt dat genieten later alsnog, als we eenmaal uit de auto zijn. Want hoe gek de Italianen op de weg ook zijn, ze hebben wel een prachtig land met zalig eten, adembenemend mooie plekken, een heerlijke cultuur, en vaak mooi weer.